STADSLIEFDE_blowup:blowup

Stadsliefde. Scènes in Parijs

“Een buitenstaander in Parijs”. De stadsliefde van Adriaan van Dis.
Een boekrecensie door Wessel.

Parijs is een meervoud: eeuwige pronkstad én moderne metropool waar het nieuwe Europa vorm krijgt. In Stadsliefde. Scènes in Parijs beschrijft Adriaan van Dis in ruim vijftig schetsen de verschillende Parijzen die hij tijdens zijn zevenjarige verblijf in de lichtstad heeft waargenomen. Gewapend met stappenteller doorkruiste hij bijna dagelijks de stad, soms in het spoor van een grote schrijver, vaker op zoek naar de plekken waar de witte binnenstad en de zwarte buitenwijken elkaar raken. De liefde van Van Dis voor Parijs is geen onvoorwaardelijke liefde en Stadsliefde is evenmin een toeristische wandelgids; het is vooral een persoonlijk en sociaal portret van een hedendaagse Europese hoofdstad.

Parijs als kapstok

Stadsliefde bestaat grotendeels uit niet eerder gepubliceerde schetsen en omgewerkte verhalen die Van Dis voor de bladen En France, Ons Erfdeel en Leeftocht schreef. Daarnaast is een aantal schetsen ontleend aan Onder het zink – Un abécédaire de Paris, het Boekenweekessay van 2004 dat Van Dis op uitnodiging van de CPNB schreef. Ondanks deze verschillen in herkomst, maakt de bundel nergens een bijeengeraapte indruk. Elke schets bevat een scène die misschien niet onmisbaar is, maar wel bijdraagt aan het totaalbeeld: het beeld van een samenleving vol tegenstellingen. En altijd is daar het perspectief van de buitenstaander: de schrijver is aangenaam verloren, een figurant, een vreemdeling onder vreemdelingen, een immigrant in luxe positie, enz.

Het is vooral deze buitenstaanderspositie die onvermijdelijk doet denken aan Van Dis’ grote roman De Wandelaar. De hoofdpersoon in deze roman, meneer Mulder, is een Nederlandse man op leeftijd die in Parijs zijn dagen slijt. De parallellen tussen het personage Mulder en de schrijver Van Dis zijn niet te missen. Ook meneer Mulder is een immigrant in luxe positie (hij leeft van een erfenis), die elke dag een wandeling door de stad maakt en daarbij in aanraking komt met ‘het andere Parijs’. Met wat goede wil kun je Onder het zink als voorstudie voor De Wandelaar zien en laatstgenoemde als de fictionele tegenhanger van Stadsliefde. De drie boeken hebben in elk geval Parijs, naast Afrika en Indië, als nieuwe lijn in het oeuvre van Van Dis geïntroduceerd.

Parijs lijkt echter eerder een kapstok dan een thema voor Van Dis. De onrusten in de banlieues (Bang voor de buitenwijken), de positie van de immigranten (Le Blanc et le noir, Negre de service, Hoofddoek als spandoek), de hittedoden onder de zwervers (De hondsdagen van monsieur Dubois); het zijn uitgelezen kansen voor Van Dis om zijn geliefde thema’s vol tegenstellingen en tweeslachtigheid aan op te hangen: wit en zwart, rijk en arm, groezelig en chique, een glimmende Eiffeltoren naast brandende auto’s. Opeens is het ook voorstelbaar hoe Van Dis na het beschrijven van zoveel misstanden nog van een stadsliefde kan spreken. Wie zou er geen liefde opvatten voor zo’n ideale kapstok?

Engagement en zelfspot

De schrijver geeft zelf een andere reden voor zijn liefde. In Parijs kan hij van de schoonheid genieten, rustig ademhalen en onzichtbaar zijn. Ik kan me er veel bij voorstellen: de bekende Nederlander die in Frankrijk weer rustig over straat kan lopen zonder nageroepen te worden. Talrijk zijn de schetsen waarin Van Dis de dagelijkse contacten beschrijft die hij met middenstand en werkster aan het opbouwen is. En hoewel hij daar merkbaar van geniet, is ook op die momenten ‘het andere Parijs’ steevast op de achtergrond aanwezig. Steeds komen de tegenstellingen in de Parijse samenleving weer bovendrijven en blijkt dat Van Dis wel iets meer doet dan alleen rustig ademhalen en onzichtbaar zijn. Het is op die momenten van betrokkenheid dat de schrijver op dreef komt en een onverwachtse felheid toont. In Bang voor de buitenwijken spat de verontwaardiging van het papier:

“Wat een minachting om mensen zo te laten wonen. In buurten die tien jaar na de bouw al verkrotten. Waar slechts één vorm overheerst: de hoek. Eén soort huis: het hok. In zo’n omgeving moet een kind dus tederheid en fantasie ontwikkelen. En de politici zich maar verbazen dat bendes hier hun eigen wetten maken […] in de stad die ze huisvest als een mindere soort.”

Het is geen toeval dat Van Dis in deze situatie verzeild is geraakt. De schrijver zoekt het op. Vaker dan in de chiquere wijken als Opera en Quatier Latin, wandelt hij door de Afrikaanse wijk achter het Gare du Nord. Ook de contacten die Van Dis beschrijft lijken in dienst te staan van de tegenstelling. In de pronkstad schuift hij aan bij een deftige vriendenclub voor een luxe diner, in de banlieues is hij getuige van een illegale (en bijna fatale) bokswedstrijd van de zoon van zijn werkster. De vriendenclub is decadent en vrij, de bokser hopeloos gevangen in zijn situatie. Schets na schets, scène na scène, krijgt het sociale portret van het hedendaagse Parijs zo gestalte.

En al doende vergeet de schrijver zowat de titel van zijn boek, want de stadsliefde komt veel minder duidelijk uit de verf dan het stadsportret. Even lijkt Van Dis aan te sluiten bij de traditie van de verheven stadsliefde. In Verliefd onder het zink schrijft hij:

“Wat een geluk dat ik hier loop […] tot mijn geluk zich zo verhevigt dat het omslaat in pijn. Waarom kan ik me niet mijn hele leven met zoveel schoonheid omringen?”

Deze passage komt echter zo op zichzelf te staan, dat het bijna potsierlijk wordt. Van Dis lijkt niet erg vatbaar voor het stendhalsyndroom. Daarvoor heeft hij teveel oog voor het groezelige. Waar zit hem die liefde dan wel in? Ik kom er niet precies achter. De zelfanalyse van de schrijver gaat minder diep dan zijn analyse van de sociale tegenstellingen. Zodra Van Dis naar zichzelf kijkt, krijgt zijn stijl iets anekdoterigs. Van Dis staat te stuntelen bij de buurtsuper en oefent zich op fitness in le kick en l’uppercut. Dat is allemaal heel lollig en het draagt ook zeker bij aan de lichtheid van het boek, maar het blijft te oppervlakkig om de stadsliefde echt reliëf te geven. Schoonheid en afzondering kun je ook in Rome of Budapest vinden. Waarom juist Parijs?

Une ville vanille

Je kunt ook zeggen: waarom niet Parijs? En zelden heb ik een stadsportret gelezen dat zo frivool was opgetekend. De kortheid van de schetsen draagt daaraan bij; de schrijver kan geen aanloop nemen. Er moet in zes alinea’s worden gescoord, anders is het schetsje mislukt. In Saint-Germain kijken de zitmensen naar de loopmensen en een nieuwe dag breekt aan als de blanke jongen van de dagdienst de zwarte jongen van de nachtdienst vervangt. Van Dis bedient zich van beeldspraak van eigen hand of selecteert met smaak uit het in La France gangbare repertoire. Het witte centrum is une ville vanille en de zwarte buitenwijken zijn les banlieues chocolat au lait. Het resultaat is een even luchtig als divers stadsportret, losjes geschreven en opgetekend met veel oog voor sociale tegenstellingen. De stadsliefde van Van Dis blijft raadselachtig en lijkt even inconsequent als voorwaardelijk te zijn. Maar misschien is dat wel een teken van echte liefde; een liefde ondanks alle gebreken en om redenen die elkaar tegenspreken. C’est l’amour.

Adriaan van Dis: Stadsliefde. Scènes in Parijs
Augustus, 2011; 272 pagina’s; €19,90
ISBN 9789045705163

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *